Een vroege drukproef   Proef met Mercurius (God van de handel) Sterk vergroot. Volgens de proevencatalogus van Rietdijk 1988: Afdruk van eerst bekende proef van een Nederlands zegel (proevenboek Ib) Er bestaat slechts een afdruk uit 185?. Het gebruikte cliché werd in 1895 in de Munt te Utrecht terug gevonden welk door de heer J.P. Menger (stempelsnijder van de Rijksmunt) als origineel herkend werd. De heer J.A. Moesman maakt hetzelfde jaar een aantal afdrukken in lichtrood (waarvan nog 3 exemplaren bekend zijn) en grijszwart (nog een 10-tal over). Hierna is het cliché zoekgeraakt.  Getoond exemplaar werd op de veiling van Rietdijk te Den Haag gekocht en is gekeurd en echt bevonden! In het schitterende boek "Port betaald" verkrijgbaar op de Amphilex 2002 wordt de Mercuriuskop op blz 108 behandeld. Betoogd wordt dat het zeer waarschijnlijk geen proef van Joh. Enschede geweest is, ook niet voor een bankbiljet. Die conclusie leek voorbarig. De veronderstelling in de proevencatalogus is zeer waarschijnlijk eveneens onjuist. Eerste argument: In april 1851 zond de voorzitter van het Muntcollege, de heer A. Vrolik een schetsontwerp van een postzegel met daarop het hoofd van koning Willem III. Kennelijk was er toen al overeenstemming  dat het Staatshoofd afgebeeld zou worden in navolging van vele landen die ons voorgingen bij de invoering van de postzegel. Het is dan niet voor de hand liggend een proef te doen met Mercurius. Tweede argument: Het navolgende werd verteld door een gespecialiseerde verzamelaar van de eerste emissie: Om waardepapieren te beschermen tegen namaak werd ook rond 1850 geëxperimenteerd met papiersoorten en druktechnieken om vervalsers van bijvoorbeeld bankbiljetten en postzegels geen kans te geven hun duistere praktijken uit te oefenen. Zo paste Joh. Enschede tussen 1853 en 1920 een procedé toe genaamd “Het geheim van Vürtheim”. Onderzoek heeft uitgewezen dat het kopje gedrukt is met dit procedé. De eerste emissie verscheen op 1 januari 1852. Derde argument In de jaren 50 van de negentiende eeuw verschenen bankbiljetten met de kop van Mercurius. Met bovenstaande is het vrijwel uitgesloten dat het om een proef voor de eerste Nederlandse postzegels gaat zoals “Van Dieten” heeft geschreven. "Port betaald" concludeerde terecht dat het kopje voorlopig een mysterie was en bron van inspiratie voor verder onderzoek. In het maandbla Filatelie 7/8 blz. 466 uit 2013 wordt de draad opgepakt door de heer Hans Caarls. Definitief wordt geconcludeerd dat het een proef betreft in het kader van “Het geheim van Vürtheim” (en dus niets van doen heeft met de eerste emissie). Geloofwaardig: zie boven. De heer Caarls verhaalt verder dat “het geheim” in de tweede emissie werd toegepast en werd geprobeerd op 100 geprepareerde vellen. Verder was de proef bedoeld voor bankbiljetten. De proeven komen uit de tijd dat de waardepapieren (postzegels en bankbiljetten) te Utrecht gemaakt werden. Daarmee kan de conclusie getrokken worden dat deze proef bestemd was voor waardepapier, waaronder de tweede emissie. De proef was blijkbaar geslaagd en werd toegepast. Aangaande de opmerkingen in het overigens zeer lezenswaardige artikel betreffende de heer Moesman verwijs ik graag naar mijn inleidende pagina aangaande hetgeen verzamelelwaardig is. Dat bepaalt uzelf! De heer Moesman was een figuur van zijn tijd. Zonder hem op wat van manier dan ook te willen verdedigen beschrijven we hetgeen hij gedaan heeft. Aan u, en aan verdere generaties een eigen oordeel te vellen. Aan ons alleen feiten te blijven vermelden.